Deskundigen in medische bestuursrechtzaken (deel 1)

Uitspraak Centrale Raad van Beroep van 13 juli 2005 (ECLI:NL:CRvB: 2005AT 9828);

De Centrale Raad van Beroep  heeft in deze uitspraak bevestigd dat de onafhankelijke rechterlijke macht op voorhand een bepaalde waarde toekent aan de rapporten van verzekeringsartsen en bezwaarverzekeringsartsen. Hij geeft daarbij nadrukkelijk aan dat dit niet betekent dat belanghebbenden daarmee in de onmogelijke omstandigheid komen te verkeren dat zij daarmee ooit aan een bewijslast kunnen voldoen. Uit de uitspraak volgt dat de belanghebbende voor het aanvoeren van de medische beroepsgronden niet verplicht is om een reguliere arts in te schakelen. Het aanvoeren van medische beroepsgronden is, zo stelt de Raad, niet voorbehouden aan reguliere artsen, maar ook leken, juristen en alternatieve genezers mogen medische beroepsgronden aanvoeren. De Raad stelt dat dit niet betekent dat de argumenten aangevoerd door een medisch leek, waaronder de Raad ook alternatieve genezers schaart die niet als medicus zijn geregistreerd (de wetgever heeft immers nog steeds niet geregeld op welke wijze alternatieve genezers, die geen arts zijn, zich Big kunnen laten registreren), dezelfde kracht hebben als die van reguliere artsen. Dit is logisch, omdat het in de bewijsvoering in het bestuursrecht gaat om de inhoud van de argumenten en waarop deze argumenten, die gebaseerd zijn op de voorhanden zijnde reguliere gegevens, gestoeld zijn, en niet om wie deze aanvoert, met welke positie.

Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9251) 

In deze uitspraak  komt naar voren dat een rapport van Instituut Psychosofia relevante argumenten kan bevatten die te vergelijken zijn met medische beroepsgronden, waaraan niet ongemotiveerd voorbij mag worden gegaan door verweerder. De enkele stelling dat er geen nieuwe medische gegevens zijn aangeleverd die aanleiding geven de belastbaarheid anders in te schatten dan conform de reeds bekende medische gegevens, voldoet niet aan het motiveringsvereiste. Indien er niet inhoudelijk wordt ingegaan op de rapporten van Instituut Psychosofia, dan is dit reeds voldoende om tot vernietiging  over te gaan.

Uitspraak van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 29 april 2008 (AWB 06/7288 WAO V75 AA G306):

In deze uitspraak werkt de rechtbank te ’s-Gravenhage de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep verder uit: “ In beroep heeft eiseres een aanvullend rapport van IP overgelegd van 13 september 2006, waarin door IP commentaar is gegeven op de medische gedingstukken uit de bezwaar-procedure”. Verweerder heeft dit rapport, blijkens het verweerschrift van 14 december 2006, onder de aandacht gebracht van de bezwaarverzekeringsarts. Verweerder stelt in het verweerschrift dat de bezwaarverzekeringsarts in reactie op het rapport van IP heeft verwezen naar zijn rapport in de bezwaarfase. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts niet had mogen volstaan met een verwijzing naar zijn eerdere rapportage en inhoudelijk had moeten reageren op hetgeen middels het rapport door eiseres is aangevoerd. In het rapport van IP van 13 september 2006 is commentaar gegeven op de medische gedingstukken uit de bezwaarprocedure. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de uitspraak van 20 februari 2007 (LJN: AZ9251), komt naar voren, dat een dergelijk rapport van IP relevante argumenten kan bevatten die te vergelijken zijn met medische beroepsgronden. Aan deze beroepsgronden kan verweerder niet ongemotiveerd voorbij gaan. Ook de bij brief van 21 augustus 2007 door verweerder alsnog gegeven reactie op dit rapport acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. In zijn rapport van 21 augustus 2007 stelt de bezwaarverzekeringsarts dat geen nieuwe medische gegevens zijn aangeleverd die aanleiding geven de belastbaarheid van eiseres anders in te schatten dan conform de reeds bekende medische gegevens. De meest recente pathologie (spanningsklachten, moeheidsklachten) zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts deels te verklaren als restklachten. In de rapportage wordt op geen enkele wijze inhoudelijk ingegaan op het rapport van IP van 13 september 2006, dan wel op de andere door eiseres aangevoerde argumenten. De vraag rijst ook of de bezwaarverzekeringsarts wel heeft kennisgenomen van de inhoud van het rapport van IP. Tot eenzelfde oordeel komt de rechtbank over de reactie van verweerder van 6 december 2007 op het aanvullend beroepschrift van eiseres van 22 oktober 2007 en het daarbij overgelegde rapport van IP van 18 september 2007. De bezwaarverzekeringsarts (.) heeft in het rapport van 6 december 2007 het volgende gerapporteerd: “Er zijn geen nieuwe gegevens ingebracht. De rapportage van IP van 18 september 2007 is niet te beschouwen als een medisch stuk. Geen nieuwe medische correspondentie die tevens een duidelijk ander licht zou werpen op de zaak. Geen nieuwe gezichtspunten.”. Naar het oordeel van de rechtbank valt, anders dan door verweerder ter zitting is betoogd, niet uit de rapportage af te leiden dat de bezwaarverzekeringsarts inhoudelijk naar het rapport van IP van 18 september 2007 heeft gekeken.  De Centrale Raad van Beroep houdt nog steeds deze lijn aan en ook de rechtbanken.

Uitspraak Rechtbank Rotterdam van 13 november 2015 (ROT 15/1233):

In deze uitspraak bevestigt de rechtbank Rotterdam wederom dezelfde conclusie aan de hand van deze bestendige jurisprudentie:

De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in deze niet voldoende zorgvuldig is geweest, zodat het de door verweerder in het bestreden besluit getrokken conclusie niet kan dragen. Verweerder is, zoals door eiseres met juistheid is gesteld, niet (genoegzaam) ingegaan op de “medische adstructie a1” met bijbehorende reguliere informatie van de behandelend sector, terwijl eiseres hier wel een beroep op heeft gedaan.

Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 oktober 2014 volgt weliswaar dat de door eiseres bij de “medische adstructie a1” behorende reguliere informatie van de behandelend sector, overwegend bestaande uit een uitdraai van de huisarts met als af-drukdatum 14 mei 2014, betrokken is bij de heroverweging, maar kan niet volgen op welke wijze dit is gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in voornoemd rapport op dit punt volstaan met het opnemen van de volgende zin:

“Op grond van de beschikbare informatie door de primaire verzekeringsarts, de medische informatie van het huisartsenjournaal, de multidisciplinaire evidence based richtlijn “Mensen met migraine … aan het werk !” uit december 2013 en de standaard “Verminderde arbeidsduur” uit januari 2000, kan ik het standpunt van belanghebbende (…) niet volgen.”.

Hieruit kan niet worden afgeleid, en ook niet uit hetgeen daarop volgt, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inhoudelijk heeft gekeken naar of gereageerd heeft op de “medische adstructie a1”.

Dit klemt temeer, daar in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 mei 2015, welk rapport mede is opgesteld naar aanleiding van de door eiseres in beroep overge-legde “medische adstructie a2”, de volgende reactie is opgenomen:

“Eerst zij opgemerkt dat uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts duidelijk blijkt dat hij de in het dossier aanwezige informatie van de huisarts meewoog (onder punt 6) bij zijn heroverweging. Het door de gemachtigde bij het bezwaar overgelegde huisartsenjournaal bevat in essentie geen andere informatie. Dat daaraan niet expliciet aandacht werd besteed maakt dit niet anders. Bij het nogmaals doornemen van de door de gemachtigde ingebrachte informatie, waaronder het rapport van de directrice van psychosofia, kom ik niet tot een andere conclusie.”.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet had mogen vol-staan met een verwijzing naar de eerdere rapportage van 17 oktober 2014 en (ook hier) inhoudelijk had moeten reageren op hetgeen middels het rapport door eiseres is aangevoerd. De rechtbank merkt daarbij op dat voornoemde reactie in het midden laat of de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van het rapport van Instituut Psychosofia (IP) van 20 maart 2014 of van de “medische adstructie a1” of van de “medische adstructie a2”.

Naar het oordeel van de rechtbank valt hieruit, anders dan door de gemachtigde van verweer-der ter zitting is betoogd, niet af te leiden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inhoudelijk naar alle tot dan toe opgemaakte stukken van IP heeft gekeken en deze in zijn heroverweging heeft betrokken.

De rechtbank stelt vast dat in de “medische adstructie a1” en “medische adstructie a2” commentaar is gegeven op de medische gedingstukken in deze procedure. In de door eiseres genoemde uitspraak van de CRvB van 20 februari 2007 heeft de CRvB, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat de rapporten van IP, waarin commentaar wordt geleverd op de gedingstukken, relevante argumenten kunnen bevatten en dat het in dat opzicht geen verschil maakt of de gemachtigde zelf de argumenten bedenkt dan wel zich daarbij laat adviseren door (mevrouw Verhage van het) IP. Aan deze argumenten kan verweerder derhalve niet ongemotiveerd voorbij gaan.

Uitspraak Centrale Raad van Beroep van 14 september 2016 (CRvB 14/6273 ZW – ECLI:NL:CRVB:2016:3379 ):

In deze uitspraak onderschrijft  de Centrale Raad van Beroep dat voor de vaststelling van de gevolgen voor het functioneren in arbeid, de gevolgen aan het volledige medische beeld gekoppeld moeten worden:

Het standpunt van appellante en haar medisch adviseur dat niet naar elke aandoening afzonderlijk moet worden gekeken, maar naar het volledige beeld, wordt onderschreven, evenals het standpunt dat objectieve medische gegevens afkomstig van een datum na 6 oktober 2008 betrokken kunnen worden bij de beantwoording van de in dit geding voorliggende vraag. Het moet dan wel gaan om objectieve medische gegevens die betrekking hebben of betrokken kunnen worden op de periode van 29 maart 2008 tot en met 6 oktober 2008. Hetzelfde geldt ook voor objectieve medische gegevens van een datum voor 29 maart 2008.

Er is zodoende nog een wereld te winnen. De verzekeringsartsen verrichten immers geen volledige medische dossieronderzoeken en communiceren veelal  niet (voldoende) met de behandelaars, waardoor zij geen volledig medisch beeld hebben. Als zij medische gegevens opvragen, vragen zij vaak niet alle van belang zijnde medische gegevens op, waardoor zij zich geen totaalbeeld kunnen vormen. Reguliere artsen zijn doorgaans niet gewend zich een totaalbeeld te kunnen vormen van de cliënt. Zij gaan hierdoor te veel af op indrukken bij hun inschattingen.